Beroepsgeheim

Het beroepsgeheim van de arts brengt met zich mee, dat hij verplicht is om te zwijgen tegenover anderen over alle informatie die hij over zijn patiënten heeft. Hij kan aan anderen alleen informatie verstrekken als de patiënt daarvoor uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven. Mondelinge toestemming is in het algemeen voldoende, schriftelijke toestemming is niet vereist. De arts dient zich echter te onthouden van het geven van informatie als daardoor de privacy van een ander, bijvoorbeeld de partner of een familielid, wordt geschonden. Het is dezelfde wettelijke beperking die ook bij het inzage- en afschriftrecht is genoemd.

Het beroepsgeheim geldt niet ten aanzien van andere hulpverleners, die rechtstreeks bij de behandeling of begeleiding van de patiënt zijn betrokken. Zo zullen de collega-arts, de verpleegkundige, de logopedist, de fysiotherapeut, de arbeidsdeskundige of de bedrijfsmaatschappelijk werkster informatie moeten ontvangen over die zaken, die voor hun functioneren in relatie tot de behandeling of begeleiding van de patiënt van belang zijn. Wel van belang is dat iemand uit het behandelteam als aanspreekpunt voor de patiënt wordt aangewezen. Ook de vervanger of waarnemer van de arts kunnen uiteraard informatie over de patiënt ontvangen zonder dat daarvoor eerst toestemming van de patiënt nodig is.

Geneeskundige verklaringen

In het advies ‘WGBO en bedrijfsarts’ (augustus 2000) zijn de betekenis van de WGBO voor de bedrijfsarts en de knelpunten die zich daarbij voordoen, bijvoorbeeld rond het beroepsgeheim, uitgewerkt. De arts is overigens niet verplicht informatie te verstrekken als de patiënt hem daarvoor toestemming heeft gegeven of daarom verzoekt.

Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het geven van feitelijke informatie over de patiënt mét diens gerichte toestemming en het afgeven van een geneeskundige verklaring (waardeoordeel) door de arts. Het eerste is wel mogelijk mits het doel en de vraagstelling gericht zijn. Mede op basis van tuchtrechtelijke uitspraken wordt het afgeven van geneeskundige verklaringen door de behandelend arts in verband met onder meer ziekte of arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, reisannuleringen, erfeniskwesties, echtscheidingsprocedures of andere juridische procedures sterk afgeraden. Bij zo’n verklaring gaat het vaak om een belang van de patiënt dat buiten de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de arts ligt en een ander doel dient dan de behandeling of begeleiding.

Bovendien is de kans groot dat de vertrouwensrelatie in gevaar komt. Immers, zulke verklaringen worden nogal eens opgesteld op basis van ‘indrukken’ van de arts of patiënt en niet op basis van medisch inhoudelijke argumenten. De arts wordt aangeraden te verwijzen naar een onafhankelijke arts die deskundig is op het terrein van de vraagstelling. Voor plaatsing van een patiënt in een bejaardenoord of verpleeghuis wordt door de indicatiecommissie een onderzoek gedaan dat zo min mogelijk belastend voor de verzoeker dient te zijn. In dat geval kan de behandelend arts wel met toestemming van de verzoeker relevante medische informatie aan de commissie geven.

Doorbreking van het beroepsgeheim

De arts is echter verplicht tot gegevensverstrekking indien een andere wet dat vereist. Voorbeelden daarvan zijn ondermeer te vinden in deWet op de Lijkbezorging (verstrekken van de doodsoorzaak aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek) en in de Ziekenfondswet (verplicht tot een nadere regeling voor onder meer de verstrekking van bepaalde gegevens ten behoeve van controle door de zorgverzekeraar op de te geven of gegeven behandeling en de juistheid van de daarvoor in rekening gebrachte bedragen).

Een arts kan in een conflict van plichten komen, bijvoorbeeld in geval van incest of kindermishandeling. In zo’n situatie van overmacht kan het nodig zijn het beroepsgeheim te doorbreken en dus te spreken omdat een ander, hoger belang (van het kind) hem daartoe verplicht. Uiteraard moet hij voor de onderbouwing daarvan sterke argumenten hebben. Als uitgangspunt voor de doorbreking van het beroepsgeheim kunnen de volgende zes cumulatieve criteria worden gebruikt.

Deze zijn ontleend aan Leenen en luiden:

  1. alles is in het werk gesteld om de toestemming van de patiënt te verkrijgen;
  2. de arts moet in gewetensnood verkeren door het handhaven van de zwijgplicht;
  3. er is geen andere weg dan doorbreking van het geheim om het probleem op te lossen;
  4. het niet-doorbreken van het geheim levert naar grote waarschijnlijkheid voor een ander ernstige schade op;
  5. het moet vrijwel zeker zijn dat door de geheimdoorbreking die schade aan de ander kan worden voorkomen of
    beperkt;
  6. het geheim wordt zo min mogelijk geschonden.

Één reactie op “Beroepsgeheim”

  1. sylvia schreef:

    ze zwijgen ja . voor hun zelf en hun collega s in mijn dossiers zitten stuuken die niet kloppen en waar ik geen toestemming heb gevraagt . zezijn erg vernederend . heb ze daarover aangesproken maar nee . pas opvoor medisch tucht college ze zijn niet altijd eerlijk . ga een andere weg op en blijf daar weg .

Reageer