Het recht op informatie

Sinds 1995 is het recht van de patiënt op informatie neergelegd in deWet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), een onderdeel van Boek 7 van het BurgerlijkWetboek (BW). Het is echter geen nieuw recht. Ook in de periode voor de inwerkingtreding van deWGBO was het recht op informatie al een juridisch erkend en gewaarborgd recht, op grond van de gedragsregels van artsen, de (tucht)rechtspraak, de algemene beginselen van ons overeenkomstenrecht en internationale verdragen. De betreffende bepalingen in deWGBO zijn dan ook vooral bedoeld om een reeds bestaand recht te verduidelijken. Wel kan worden geconstateerd dat de komst van deWGBO de
belangstelling voor het recht op informatie, en de discussie onder artsen en juristen over de interpretatie van dat recht, sterk heeft gestimuleerd.

1.1 De inhoud van de WGBO-bepalingen

In deWGBO komen met betrekking tot het vraagstuk van de informatie aan de orde:

  • het recht van de patiënt op informatie;
  • de beperking van het recht op informatie op grond van de zogenaamde ‘therapeutische exceptie’;
  • het recht van de patiënt om niet te weten;
  • de informatieplicht van de patiënt zelf.

Hieronder wordt elk van deze vier onderdelen toegelicht, aan de hand van de tekst van de wet. Daarna wordt
aangegeven welke inhoud het recht op informatie inmiddels in de rechtspraak heeft gekregen.

1.1.1 Het recht van de patiënt op informatie (art. 7:448 lid 1 en lid 2)

De algemene regel van de WGBO luidt, dat de arts de patiënt op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk, inlicht over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt (art. 7:448 lid 1). Vervolgens bepaalt de wet dat de arts zich bij het toepassen van de informatieplicht laat leiden door hetgeen de patiënt ‘redelijkerwijze’ dient te weten ten aanzien van

a. de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling;
b. de te verwachten gevolgen en risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt;
c. andere methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking komen;
d. de gezondheidssituatie van de patiënt en diens vooruitzichten ter zake.

Het in deze bepaling opgenomen begrip ‘redelijkerwijze’ geeft aan dat de informatievoorziening zo goed mogelijk moet worden afgestemd op de omstandigheden van het geval. De wet kan nu eenmaal geen regels formuleren die voor elke individuele situatie duidelijk maken hoe moet worden gehandeld. De arts zelf zal de vertaalslag moeten maken tussen de algemene wettelijke bepaling en de concrete situatie, aan de hand van het begrip ‘redelijkerwijze’. Aan de ene kant geeft dit onzekerheid, omdat niet altijd op voorhand duidelijk zal zijn of conform de wet gehandeld is. Aan de andere kant, valt gelet op de complexe praktijk aan de noodzaak van een vertaalslag niet te ontkomen, en geeft het begrip ‘redelijkerwijze’ de arts bovendien de ruimte om algemeen aanvaarde opvattingen uit de beroepsgroep bij de informatieverplichting te betrekken. Als bijvoorbeeld een wetenschappelijke vereniging op zorgvuldige wijze een standpunt heeft ontwikkeld met betrekking tot de informatieplicht van een arts ten aanzien van een specifieke ingreep of behandeling, dan kan de arts dit standpunt gebruiken bij het in concrete situaties toepassen van het begrip ‘redelijkerwijze’. De rechter accepteert een dergelijke benadering. De rechtspraak laat tal van voorbeelden zien van situaties waarin de rechter het standpunt van een wetenschappelijke vereniging benut om een algemene wettelijke
regel ‘in te vullen’.

1.1.2 De therapeutische exceptie (art. 7:448 lid 3)

De wetgever houdt rekening met de mogelijkheid dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het geven van informatie aan de patiënt grote risico’s met zich meebrengt. De arts mag dan van het geven van informatie afzien indien het wel informeren tot een ‘kennelijk ernstig nadeel’ voor de patiënt leidt. Zodra dit nadeel is vervallen, behoort de informatie alsnog te worden gegeven. De bedoeling van de wetgever is dat de arts zich slechts in zeer uitzonderlijke gevallen op deze zogenaamde ‘therapeutische exceptie’ beroept. Om die reden bepaalt deWGBO dat de arts van de therapeutische exceptie geen gebruikmaakt dan nadat hij daarover een collega heeft geraadpleegd.

1.1.3 Het recht van de patiënt om niet te weten (art. 7:449)

Het is van groot belang dat patiënten voldoende worden geïnformeerd. De patiënt is echter niet verplicht zich te laten informeren. Geeft een patiënt expliciet te kennen geen informatie te willen ontvangen, dan behoort de arts daar zich in beginsel aan te houden. Het komt bijvoorbeeld wel eens voor dat een patiënt gegevens over bepaalde erfelijke aandoeningen niet wenst te vernemen. Deze regel lijdt uitzondering indien de arts van mening is dat het belang van de patiënt om niet geïnformeerd te worden niet opweegt tegen het nadeel dat daaruit voor hemzelf of anderen kan
voortvloeien. De arts heeft dus een beperkte mogelijkheid om een patiënt, tegen diens wens in, toch bepaalde informatie te geven.

1.1.4 De informatieplicht van de patiënt zelf (art. 7:452)

Art. 7:452 bepaalt dat de patiënt de arts naar beste weten de informatie geeft die de arts redelijkerwijs voor het uitvoeren van de behandelingsovereenkomst nodig heeft. Dit houdt in, dat de patiënt het juiste antwoord moet geven op vragen van de arts en dat de patiënt belangrijke informatie eigener beweging aan de arts meldt. Bij dit laatste past echter wel een relativering, omdat de patiënt lang niet altijd zal weten of zal kunnen beoordelen welke informatie in de concrete situatie wel of niet belangrijk is. Overigens mag worden aangenomen dat veel patiënten niet op de hoogte zijn van de informatieplicht uit art. 7:452. Ook om die reden zal het lastig zijn aan deze wetsbepaling reële betekenis te geven.

Reageer