Een patiënt die een klacht heeft over het handelen van de arts heeft de mogelijkheid een klacht in te dienen, en wel op diverse niveaus. De meest simpele en laagdrempelige oplossing is uiteraard dat patiënt en arts proberen de klacht of het geschil gezamenlijk op te lossen in een of meerdere gesprekken. Hier zijn een open instelling, goede communicatie en de wil van partijen om het geschil uit te praten en op te lossen van groot belang.
De patiënt kan er ook de voorkeur aan geven dat een onafhankelijke derde hem ondersteunt of dat een bemiddelaar wordt aangetrokken. Deze persoon kan een patiëntenvertrouwenspersoon binnen de instelling zijn of een vergelijkbare functionaris. Herstel van de hulpverleningsrelatie is in dit stadium vaak nog mogelijk en het kan escalatie, door indiening van de klacht via meer hoogdrempelige voorzieningen als een klachtencommissie, het medisch tuchtcollege of de (civiele) rechter, voorkomen. Het bieden van verweer tegen een klacht, ingediend bij met name de rechter is doorgaans een tijd- en energieverslindende aangelegenheid en kan ook hoge kosten voor rechtsbijstand en procesvoering met zich meebrengen.
De patiënt kan ook een klacht indienen bij een klachtencommissie in het ziekenhuis of een andere instelling of bij een regionale klachtencommissie. De Wet klachtrecht cliënten zorgsector verplicht ‘zorgaanbieders’ (onder meer vrijgevestigde artsen, directies van ziekenhuizen, verpleeghuizen, privé-klinieken, RIAGG’s, GGD-en, etc.) sinds november 1995 een klachtencommissie in te stellen of bij een bestaande commissie aan te sluiten. Het oordeel van de klachtencommissie heeft geen juridisch bindende werking. Dit in tegenstelling tot de uitspraken van bijvoorbeeld het tuchtcollege en de civiele rechter.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet klachtrecht heeft de inspectie geen rol meer in de beoordeling van individuele klachten van patiënten, ook niet als ‘hoger-beroepmogelijkheid’ in het geval de patiënt en/of de hulpverlener niet tevreden zijn over de uitspraak of de wijze waarop de klacht door de klachtencommissie is behandeld. De taak van de inspectie is het houden van toezicht op de naleving van wettelijke regels op het gebied van de volksgezondheid en het bewaken van de kwaliteit van de gezondheidszorg, niet alleen binnen instellingen maar ook ten aanzien van individuele artsen werkzaam in een solopraktijk. Daartoe beschikt de inspectie over een aantal in de Kwaliteitswet zorginstellingen (1996) en deWet BIG (1997) neergelegde bevoegdheden, bijvoorbeeld het betreden van plaatsen en handhavingsmogelijkheden, zoals het geven van een schriftelijk bevel.
Voor het goed kunnen uitvoeren van deze taak heeft de inspectie behoefte aan meldingen die kunnen wijzen op mogelijke misstanden. In de ‘Leidraad onderzoek door de Inspectie voor de gezondheidszorg naar aanleiding van meldingen’ van januari 1996 is aangegeven op welke wijze de inspectie met meldingen omgaat.
Hiervoor werd al gewezen op de procedure bij het tuchtcollege en de (civiele) rechter. Het tuchtrecht is primair gericht op de kwaliteitshandhaving en -bevordering van de beroepsuitoefening en niet op conflictoplossing of genoegdoening. Het tuchtcollege kan een sanctie opleggen, bijvoorbeeld een waarschuwing, een schorsing of zelfs een ontzegging van de bevoegdheid. Het percentage klachten dat door het tuchtcollege gegrond wordt geacht ligt de laatste jaren rond de 18%. Claims kunnen niet bij het tuchtcollege worden ingediend. De sanctie die de (civiele) rechter aan de arts kan opleggen is het aansprakelijk stellen voor de schade van de patiënt. Procedures bij de strafrechter tegen artsen komen weinig voor. Meestal gaat het om de volgende delicten: euthanasie, hulp bij zelfdoding en seksuele relaties binnen de hulpverlening.
Claims worden in principe door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de arts afgehandeld. Ook als het tot een civiele procedure voor de rechtbank komt, zal de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de arts zorgen voor het verweer en daartoe een advocaat inschakelen. De (belangenbehartiger van de) patiënt en de verzekeraar zullen, tenminste als de schade toegerekend kan worden aan de arts wegens verwijtbare schuld, proberen tot een regeling te komen over het uit te keren schadebedrag. De patiënt kan bijvoorbeeld een claim indienen tegen een arts omdat hij meent dat de arts onvoldoende informatie heeft gegeven over extra risico’s van de voorgestelde behandeling, of omdat hij ernstig benadeeld is door het weigeren van inzage. Een arts die door de patiënt aansprakelijk is gesteld voor de schade als gevolg van onzorgvuldig handelen of een medische fout dient altijd direct contact op te nemen met zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. De verzekeraar zal de aansprakelijkheidsvraag beoordelen en afhandelen. De arts dient dus richting patiënt nooit zelf in te gaan op de aansprakelijkheidsstelling of zijn aansprakelijkheid te erkennen. Iets anders is dat artsen, als zij menen dat er iets fout is gegaan, dit wél tegenover de patiënt of zijn vertegenwoordiger mogen toegeven en excuses daarvoor mogen aanbieden. Dat kan zelfs veel ellende en belastende procedures voorkómen.
Is de patiënt van mening dat hij schade heeft geleden als gevolg van onzorgvuldigheden tijdens zijn behandeling in het ziekenhuis, dan biedt de WGBO hem de mogelijkheid om (de directie of het bestuur van) het ziekenhuis daarvoor aansprakelijk te stellen. Dit betekent dat de patiënt niet meer eerst hoeft na te gaan wie de tekortkoming precies heeft veroorzaakt in het ziekenhuis. Sinds een aantal jaren bestaat binnen een aantal ziekenhuizen ook de mogelijkheid een geschil over zaakschade en/of personenschade tussen patiënt en ziekenhuis tot een bedrag van maximaal e 5000,- aan de landelijke geschillencommissie ziekenhuizen voor te leggen (zie ook www.sgc.nl/ziekenhuizen). Een groot aantal Nederlandse ziekenhuizen kent deze geschillenregeling.
Voorwaarde voor het in behandeling nemen van het geschil is, dat in eerste instantie geen overeenstemming kon worden bereikt tussen partijen over de aansprakelijkheid en/of het schadebedrag. Voor geleden schade als gevolg van gebruik van (niet voorzienbare) ondeugdelijke produkten (bijvoorbeeld apparaten of medicijnen) zal de patiënt, net als voorheen, niet het ziekenhuis maar de producent aansprakelijk moeten stellen.